springbalsemien en bijen

Bijen-bio-industrie in de Biesbosch

Een mono-cultuur van springbalsemien en honingbijen.

Begin augustus. De linde is uitgebloeid en de grootste bloemenpracht die kenmerkend is voor het voorjaar en de vroege zomer is verdwenen. Maar niet in de Biesbosch, want dÑÑr staat de springbalsemien.

Ineens was ‘de imkerij’ volop in het nieuws, de Volkskrant, BNR, Brabants dagblad, iedereen sprak en schreef erover. De imkerij liet zich van haar slechtste kant zien en Staatsbosbeheer zocht daarmee de publiciteit.

De feiten: staatsbosbeheer en honingbijen

Staatsbosbeheer heeft een contract met 15 imkers voor het in totaal plaatsen van 100 bijenkosten verdeeld over 10 locaties in de Biesbosch. Sommige imkers plaatsen er meer dan waar ze toestemming voor hebben. Sommige imkers die geen toestemming hebben plaatsen ook kasten. En SBB verwijdert de niet-contractueel toegestane kasten uit haar gebied. Het doel van SBB is om de wilde bijen niet te laten verdringen door de honingbij.

Duizenden bijenkasten net buiten het natuurgebied

Net buiten het gebied van Staatsbosbeheer staan nog eens duizenden kasten waarvan de bijen tot 3km de Biesbosch in vliegen. Die kasten staan er niet illegaal, maar met toestemming van de landeigenaren (vaak boeren). Zij dragen mogelijk bij aan de verdringing van wilde bijen soorten. Erger nog is dat deze kasten van heinde en verre naar de Biesbosch gebracht worden om van de bloei van de springbalsemien te profiteren. Met het daarbij horende risico op het verspreiden van ziektes. Ook de NBV (Nederlandse Bijenhouders Vereniging) gebint zich uit te spreken voor regulering.

mono-cultuur

Waar staatsbosbeheer zijn best doet om bio-diversiteit in stand te houden, leidt het plaatsen van een stortvloed aan bijenkasten tot mono-cultuur. We weten inmiddels waar mono-cultuur toe leidt: schade aan eco-systemen, ziektes die hard om zich heen kunnen grijpen en het gebruik van chemicaliΓ«n en anti-biotica om ziektes, bacteriΓ«n en oprukkende onkruiden en netelige beestjes de kop in te drukken. Het verplaatsen van bijen over lange afstanden draagt extra bij aan die risico’s. Als bijenhouden zo’n bio-industrie wordt dan haak ik af. Dat kan ik namelijk niet verdedigen.

Ambassadeur van de bio-bij-industrie of van biodiversiteit ?

Voor mij staat bijenhouden gelijk aan ambassadeur zijn van biodiversiteit. Oog hebben voor wat er bloeit. Een bijdrage leveren aan de bevruchting van zaden en bessen dragende planten. Voorlichting geven: uitleggen wat je doet en waarom. Kortom je hard maken voor de natuur met bijen als je exemplarisch voertuig.

Bijenkasten staan dan idealiter met vier tot vijf kasten bij elkaar, soms met meer om tot een goede bevruchting van koninginnen te komen of bij heel veel dracht. Maar niet met 100 of 1000-tallen. Met 4 of 5 kasten per standplaats kun je nog steeds aangenaam imkeren: ramen uit te wisselen tussen volken indien nodig en toch voorkomen dat er verdringing van wilde soorten optreedt. Voor mijn duin-kasten wemelt het van de verschillende soorten hommels die zich overduidelijk niet weg laten drummen door een paar honingbij volken.

Wat klinkt er beter?

Uiteraard moet iedere imker zelf bepalen waar hij of zij staat in deze discussie. Ik ben van mening dat het houden van meer-bijenvolken dan je omgeving aankan nooit goed te praten is. En over grote afstanden aan de sleep gaan met je bijen evenmin. Een grote honingoogst is leuk, zeker! Maar een bescheiden honingoogst met een goed verhaal, dat klinkt toch veel beter?